Voer
voor het tuig
Op weg. Genoeg aan twee afspraken. Een
boodschap verfrommeld.
Twee keer gebeld. De weg beantwoord. Een oude vriend
voorbij gegroet.
De buurvrouw genegeerd. Brood in vlakke stukken voorbij
gekruimd.
Neonverlichte abri’s. Stad wacht nacht als een man die op
weg kan.
Verkoolde koten vatten zenuwtrillend folie.
Zilverbeslagen papier kruimt bruine korrels.
Zo verlaat de tram straat richting remise Hillesluis.
Op de achterste zitting walmt een grauwblauwe overjas.
Door het gangpad verdwaalt een plastic tas as.
Verkraalde stuiters draaien verwilderd tegemoet .
Terwijl bedacht hoe gisteren met morgen te vergelijken
wordt een nagel gebroken aan de rand van een pijp.
Tussen schuifwanden sissen de slangsels.
Hengsels aan suizende rubbersokken.
Kreten. Weegschalen. Holle wangen.
Grijpen naar de knop aan de kop van de stang.
Een zware snor die voorbij stampt.
Rits van uniform slaat tegen hand.
Vellen vallen met nagels en vuisten het staal tegemoet.
Agressie wasemt slechte adem, voer voor het tuig. Het
voertuig stil.
Een man schreeuwt. Een man vecht. Een man verstopt. Een man
valt.
Zo verlicht hier avond de vonken van vuurstenen.
Kruipt damp met natte knieëen tegen vensters.
Daartussen wat zwijgzaam gelaten aanstaart.
Bonzende zolen wachten wie antwoord bezwaard.
Op weg. Genoeg aan het boek dat telkens de eerste drie
bladzijden over lijkt te slaan.
Omslag heeft die precies afsteekt tegen het vaal en zwart
van de teruggevonden winterjas
Dan de kaft wegvouwen met het och en ach en owee je weet
toch jawel voor straks.
Geen kraag om te verbergen. Bang voor het dier dat wraak
wil verwonden.
Alle teksten zijn eigendom van de WoordDansers. Wilt u
deze tekst afdrukken of gebruiken, neem dan
contact
met ons op.
TERUG NAAR
OVERZICHT