Hinkstap op de brandgrens

Stuka's en Heinkels naderen boven het laagland
Daaronder de dokken, een vuilkleed over de randen
De Hef geheven met het lef van laatste overmoed
standhouden voor vrijheid die de wil van haat verzet.

Straten met vaders
met armen vol moeders
met handen vol kinderen
met knuisten in een smeulend kleed

Op weg naar schuilkelders,
verstoppen in nissen,
bidden achter planken,
spanten om te klemmen,
plinten en balken
het gieren, het suizen,
de dreunende aarde

Vlammen likken en lekken met vlakke tongen
De brief keert terug zonder handtekening.
Een lied van as schril en vals gezongen
De rode waas van gehaaste lichtkogels
Scherven en splinters door lijf gedrongen
Onrecht straft met het laffe geblaf van de Luftwaffe
Mijn stad scheurde haar hart voorbij met brandende longen

Ik ga door tochtgangen die tot daglicht-tunnels ontwaken.
Langs getrapte blokkendozen voorbij wanden van glas
Onder torens van trots boven een plein van staal
Wachtkamers en paskamers in een glimstaal onthaal

Een stad die ver voor mij geboren
niet eens mijn sterven weten zal
Alleen in herdenken kan ik herkennen
wat mij hier bracht tot waar ik val

Hinkstap op de brandgrens
man op nu van stad tot toen
de oude tijd, de nieuwe mens
puin ontstegen wit en groen

Alle teksten zijn eigendom van de WoordDansers. Wilt u deze tekst afdrukken of gebruiken, neem dan contact met ons op.

TERUG NAAR OVERZICHT