Eerste stadsgedicht Rotterdam
27/01/07 17:05
VOER VOOR HET TUIG
Op weg. Genoeg aan twee afspraken.
Een boodschap verfrommeld.
Twee keer gebeld. De weg beantwoord.
Een oude vriend voorbij gegroet.
De buurvrouw genegeerd.
Brood in vlakke stukken voorbij gekruimd.
Neonverlichte abri’s.
Stad wacht nacht als een man die op weg kan.
Verkoolde koten vatten zenuwtrillend folie.
Zilverbeslagen papier kruimt bruine korrels.
Zo verlaat de tram straat richting remise Hillesluis.
Op de achterste zitting walmt een grauwblauwe overjas.
Door het gangpad verdwaalt een plastic tas as.
Verkraalde stuiters draaien verwilderd tegemoet .
Terwijl bedacht hoe gisteren met morgen te vergelijken
wordt een nagel gebroken aan de rand van een pijp.
Tussen schuifwanden sissen de slangsels.
Hengsels aan suizende rubbersokken.
Kreten. Weegschalen. Holle wangen.
Grijpen naar de knop aan de kop van de stang.
Een zware snor die voorbij stampt.
Rits van uniform slaat tegen hand.
Vellen vallen met nagels en vuisten het staal tegemoet.
Agressie wasemt slechte adem, voer voor het tuig.
Het voertuig stil.
Een man schreeuwt. Een man vecht.
Een man verstopt. Een man valt.
Zo verlicht hier avond de vonken van vuurstenen.
Kruipt damp met natte knieëen tegen vensters.
Daartussen wat zwijgzaam gelaten aanstaart.
Bonzende zolen wachten wie antwoord bezwaard.
Op weg. Genoeg aan het boek dat telkens
de eerste drie bladzijden over lijkt te slaan.
Omslag heeft die precies afsteekt tegen het vaal
en zwart van de teruggevonden winterjas
Dan de kaft wegvouwen met het och en ach
en owee je weet toch jawel voor straks.
Geen kraag om te verbergen.
Bang voor het dier dat wraak wil verwonden.
Stadsgedicht Rotterdam
jeRoen Naaktgeboren, de WoordDansers, januari 2007
Op weg. Genoeg aan twee afspraken.
Een boodschap verfrommeld.
Twee keer gebeld. De weg beantwoord.
Een oude vriend voorbij gegroet.
De buurvrouw genegeerd.
Brood in vlakke stukken voorbij gekruimd.
Neonverlichte abri’s.
Stad wacht nacht als een man die op weg kan.
Verkoolde koten vatten zenuwtrillend folie.
Zilverbeslagen papier kruimt bruine korrels.
Zo verlaat de tram straat richting remise Hillesluis.
Op de achterste zitting walmt een grauwblauwe overjas.
Door het gangpad verdwaalt een plastic tas as.
Verkraalde stuiters draaien verwilderd tegemoet .
Terwijl bedacht hoe gisteren met morgen te vergelijken
wordt een nagel gebroken aan de rand van een pijp.
Tussen schuifwanden sissen de slangsels.
Hengsels aan suizende rubbersokken.
Kreten. Weegschalen. Holle wangen.
Grijpen naar de knop aan de kop van de stang.
Een zware snor die voorbij stampt.
Rits van uniform slaat tegen hand.
Vellen vallen met nagels en vuisten het staal tegemoet.
Agressie wasemt slechte adem, voer voor het tuig.
Het voertuig stil.
Een man schreeuwt. Een man vecht.
Een man verstopt. Een man valt.
Zo verlicht hier avond de vonken van vuurstenen.
Kruipt damp met natte knieëen tegen vensters.
Daartussen wat zwijgzaam gelaten aanstaart.
Bonzende zolen wachten wie antwoord bezwaard.
Op weg. Genoeg aan het boek dat telkens
de eerste drie bladzijden over lijkt te slaan.
Omslag heeft die precies afsteekt tegen het vaal
en zwart van de teruggevonden winterjas
Dan de kaft wegvouwen met het och en ach
en owee je weet toch jawel voor straks.
Geen kraag om te verbergen.
Bang voor het dier dat wraak wil verwonden.
Stadsgedicht Rotterdam
jeRoen Naaktgeboren, de WoordDansers, januari 2007